donderdag 8 november 2018

De Verkluwer



Als het donker wordt loop ik langs de fietsen in de straat en doe ik al hun lichtjes aan.
Ik zoek de dunne paperbacks uit de straatboekenkast en stuur ze naar de belastingdienst in hun voorgefrankeerde antwoordenvelop.
Ik ben een ontregelaar, een verkluwer, een goedaardige, meestal.
Ik bak verse broodjes voor mijn vijanden en eet ze zelf op.
Bij Starbucks laat ik Lucebert op mijn beker schrijven.
Ik sta graag tussen stellen in, als het even kan, bijvoorbeeld in de tram.
Als mijn paranoïde blowerbuurman van huis is zal ik zijn naam in chocoladeletters door zijn brievenbus duwen.
En als je op Valentijnsdag 'per ongeluk' een bos rozen ontvangt die bestemd zijn voor je collega komt dat vast door mij.
Cupido is een verkluwer, net als Sinterklaas.
Het zijn natuurlijk weer mannen die er beroemd mee zijn geworden.

Ik stond in de dierentuin en daar gelden regels waar ik me dikwijls aan hou.
Bij vier pissende beesten ben je af en moet je de tuin verlaten. Of als je meer dan twee rode vari's ziet poepen. De poep van rode vari's is vaak paars omdat die pluizebeesten zo graag rode bieten eten. Rode bieten zijn zelf ook paars, net als rode kool. Ik denk dat er al bieten waren voor het woord paars ontstond. In de schepping kwam de kleur rood nu eenmaal als eerste. Blauw was ook een latertje. Homerus noemt die helblauwe mediterranée geduurde de gehele Odyssee namelijk nog gewoon wijnrood. Maar misschien is dat omdat ook hij een verkluwer was.

Ik stond bij het olifantenverblijf en ik keek naar een bolus. Ik twijfelde over wat de regels voorschrijven bij één bolus, tot het reusachtige dier zijn staart optilde en er een klaterval van dampende urine onderuit liet stromen. Op dat moment wist ik weer wat de regel was en begreep ik de pijn die zich sinds de morgen in mijn onderbuik uitbreidde. Olifanten visualiseren nu eenmaal graag boodschappen van mijn onderbewuste.

Die zondagmiddag piste ik bij de huisartsenpost met veel moeite een dun laagje in een plastic potje. Het zag er uit als rode limonade of als wijn met water erdoorheen. Beide zal ik mijn vrienden binnenkort eens voorzetten, ter verkluwing.

De dienstdoende arts stopte een teststrookje in de limonade en stelde de blaasontsteking vast. Hij zei dat hij wel een antibioticakuur kon voorschrijven maar dat het heus niet altijd noodzakelijk was. Hij had in elk geval eerst nog wat vragen. Zoals of ik de laatste dagen nog seks had gehad? Wilde seks? De smeerlap was lang als een laken. Ik wist dat er met een 'ja' of een 'nee' niets te verkluwen viel. Voor straf vertelde ik een heel saai seksverhaal en onder tafel haalde ik zijn balpen alvast uit elkaar.

Ontkluuw-fetishisten. Ze zeggen je te gaan helpen heldere inzichten te vergaren. Soms willen ze zelfs de mogelijkheden voor je op een rijtje zetten. Afschuwlijk.

Even later verliet ik de spreekkamer met een Amoxicilline-recept. Op de gang hing een Artis-fotoprint van Mumba, het olifantenkalfje dat op 4-jarige leefdtijd aan het elephant endotheliotropic herpesvirus was overleden. Hier was ik iets kwaadaardigs op het spoor.
Hoewel het nog lang niet donker was deed ik buiten van alle fietsen de lampjes aan en wreef ik de handvatten in met mandarijn.




Dit verhaal draag ik op aan Dirty Sandra

vrijdag 29 juni 2018

Zomerdag



Deze zomerdag is zo uitbundig zomerdag, zelfs mijn 'stadstuin' van 3 bij 6 onttrekt zich niet aan de zichtbare zindering van de lucht, het gezoem van insectachtigen en het gejuich van het basilicumplantje dat ik in zo'n warme zonnestraal heb gezet. Op de schutting slaapt onze rode kater. Alles doet wat het hoort te doen. Een duif vliegt naar zijn vrouw in het nest op de gietijzeren draagconstructie van het bovenbuurmanbalkon. Ik vervloek hem, de schlemiel.
Ik weet wel dat de dieren zich niet kunnen ontworstelen aan hun rituelen, en dat we het daarom geen rituelen mogen noemen.
Ik veracht die duiven, ik respecteer de ratten meer. Over de ratten liggen folders in de brievenbus, en in die folders staan woorden als 'plaag', 'gevaar', 'bijten' en 'intelligent'. En die duifjes, die argeloze onbenullen, die bouwen hun nestje anderhalve meter boven de chill-out spot van twee moorddadige katten. Mijn katten. Die zelfs zonder al te veel moeite zo'n pernicieuze rat omleggen, zie daar dat kerkhof in het hoekje bij de schutting.
Er is maar één ding dat die duifjes met hun pasgeboren jongen voor een slachtpartij beschermt. Een ritueel, elke morgen uitgevoerd, meestal om tien over acht, met kattenvoerbakjes en een zakje 'gevogelte in saus'. Vanmorgen was ik wat laat, en vond ik de cyperse poes al halverwege de gietijzeren draagconstructie. De mens kan zich zo gemakkelijk aan zijn rituelen ontworstelen.
Ik hoef alleen maar iets niet te doen, en dat is dan het einde van dat duivennest.
De vrijheid van de mens is ontstellend.


woensdag 13 juni 2018

Vroegemensen


's Morgens komen de vroegemensen vergeten stukjes muur afslijpen, stopcontacten uithalen, afdekken, smeren, stukadoren, sausen. De woorden van de week.

Ik trek mij terug achter de stapels dozen om boze brieven te tikken naar de opdrachtgevers van hun bazen. De woorden van de week zijn weken te laat en mijn stapels dozen morren.
Om 06:45 dreig ik als een feeks met schadeclaims en daarna schenk ik de koffie uit.

De vroegemensen zijn eigenlijk vóórdefilemensen, verklaren ze: "Wij zijn zó vakbekwaam, wij worden uitbetaald in ongeslapen ochtenduren. De aanblik van de kringen onder uw ogen accepteren we als fooi." 
 
's Middag zullen de opdrachtgevers van de bazen misschien gaan bellen. Ik bouw een hoge toren van mijn stapels dozen. Om van af te blazen. 



maandag 26 februari 2018

Maandag

Het is gewoon een maandag maar op zondag zou ze één jaar geworden zijn en vandaag wordt ze in een rieten mandje door haar jonge ouders de zaal ingedragen.
Een zaal vol mensen zo stil dat je ze van binnen kunt horen trillen. Op zondag was het hier nog een biologisch restaurant en droeg het personeel dezelfde zwarte 'save the bees' T-shirts.
Als ik later naar het dode meisje in het mandje kijk en met mijn ogen knipper meen ik de Walküren te zien die het kindje uitgeleide doen over de Jordaanrivier om te ontkomen aan een paranoïde moordlustige koning.
Nog later deze maandag zit ik naast mijn oma, die samen met het overleden kindje wel een eeuw oud is. Ze vertelt me van haar moeders dood, op leeftijd, na de lunch, in een stoel, een hartstilstand, maar dat was dus op een dinsdag.

woensdag 27 december 2017

Lixirtrip

Illustratie Merel Barends



Ik ben te ver gegaan.
Mijn lieve Marbluis en Jer,
ik heb ze geaaid en gekriebeld,
verwend,
verwiebeld,
geplukt en geplozen
gedruppeld en verblozen,
Ja, ik heb al hun speciale plekjes beroerd.
Ik heb ze op hun vrouwenplekje gedraaid en gewreven,
en ze op hun mannenplekje omvat en geknepen.

Deze lixir is vol liefde,
Marbluis smaakt zoet en zout tegelijk,
en Jer is van bloemenkruid.
Niks geen zure jeuk van zo’n bluizenmelkerij.

Maar ik ben te ver gegaan.
Ik proef hun sap en het maakt me wazig,
ik zie de kleurenwereld,
ze opent zich, tilt me op en neemt me mee.
Toe wees goed voor mij en laat me zachtjes neerdalen,
op de terugweg uit het Paradijs.

*Lixertrip is een verhaalfragment uit 'Oranova'

vrijdag 15 december 2017

Halverwege de trap

't Liefste neem ik de trap, behalve in het ziekenhuis. Het voelt een beetje ongepast om je energieke levenskracht te etaleren door plompverloren die trappen daar op te hopsen. Het beklimmen van de tredes laat ik liever over aan de onlangs genezen zieken, die hebben er tenminste echt naar uitgekeken.
Niettemin was ik die dag, wat afgeleid door mijn gedachtes, zomaar in het ziekenhuis de trap opgelopen. Ik was onderweg naar de tweede etage en halverwege die tweede trap zat een oudere dame in haar nachtjapon, met slippers aan haar voeten en een blauw wollen vestje om haar schouders geslagen. Ze had een donkerbruine huid maar die was nu vooral erg grauw. Ze leek wat suf, slaperig misschien, haar blik gefixeerd op iets oneindigs. Toen ik haar passeerde keek ze een ogenblik in mijn ogen. Toen wist ik dat ze veertien jaar oud was en halverwege in het trappenhuis neergezegen was omdat ze hem daar door de muur heen kon horen zingen.
Ik hoorde het ook, in die fractie waarin mijn linkervoet tussen twee tredes hing. Ik luisterde naar zijn hele lied en af en toe verstond ik zelfs een woord, was het van Sam Cooke? Ik voelde de dame haar hartstocht voor de zanger achter de muur en haar wanhopig diepe eenzaamheid. Onthutst zette ik mijn voet neer op de volgende trede en vervolgde mijn weg.
Ik vroeg me af wat er met je gebeurt als je in de demente tussenwereld bent. Ga je terug naar de intens doorleefde ogenblikken? Hoe afschuwlijk zou dat zijn! Of is het alleen maar de lijdende eenzaamheid die een vorige eenzaamheid weerkaatst?
Ik weet het niet. Ik was al op de tweede verdieping aangekomen.

vrijdag 10 november 2017

Afwas

Het probleem was voor het eerst besproken op zondagmiddag in de supermarkt. Wilf vroeg: 'Eet Tiene wel vlees?' en San vroeg: 'Eet Remco wel groente?' En opeens begreep ik niet meer waarom die mensen ons überhaupt wel eens uitnodigen om te komen eten. En toen bedacht ik dat ze ons helemaal niet hadden uitgenodigd. Ik had gewoon ge-appt dat we langskwamen rond etenstijd. En toen ik binnenkwam viste ik meteen een paar pantoffels ergens vandaan en smeet mijn gehakte laarsjes midden in de kamer. Ik zeeg neer op het hoogpolig tapijt en vroeg zo indolent mogelijk: 'Kan ik iets doen?'
San riep gelukkig meteen: 'Oh nee hoor', en begon de boontjes te doppen met een schaar. Wilf maakte zijn beroemde pindasaus maar dan zonder sojasaus glutenvrij. En toen hoorde ik voor het eerst over het probleem dat was besproken die middag in de supermarkt. Remco kon er wel om lachen en stak zijn tweede sigaret op in die rookvrije woonruimte.
Na het eten (voor Tiene zonder vlees) dronk ik hun laatste koffie op en ging er toen snel vandoor naar huis. Ik vertrouw er op dat Remco ook niet heeft geholpen met de afwas.

vrijdag 27 oktober 2017

Meissie en deern

Bron: Meertens instituut


Toen ik twaalf was verhuisden we van Meissie naar Deern. De meeste mensen daar zeiden nooit iets tegen me (omdat ik door de Heer verboden broeken droeg) maar er was één man, een soort schapenherder, die altijd naar me riep: “Hie deerntie, haai je nog schik gehâ dan?” Maar dat verstond ik pas toen ik alweer in Meissie woonde.

vrijdag 13 oktober 2017

Zieke verhalen

Een paar jaar lang was ik heel veel ziek, en af en toe schreef ik daar iets over.

...


Er hangt een zwarte entiteit aan het plafond, met minstens negen poten, waarvan één heel dik.

...

Damm, wat is hij knap, dacht ik, terwijl ik zijn hand vasthield en in zijn prachtige blauwe ogen keek. Te lang en te diep waarschijnlijk. Hij liet mijn hand echter niet los maar draaide vakkundig mijn arm zodat de aderen in de holte van mijn elleboog goed zichtbaar werden. Hij bleef me glimlachend aankijken terwijl hij de drukband om mijn bovenarm aantrok. Ik voelde het warme bloed door mij heen razen. Nog steeds keek hij me aan, een beetje plagend, tewijl hij met zijn hand naar de naald op het tafeltje tastte. Ik dacht; zal hij me ook zo blijven aankijken als hij die naald in me steekt? In lichte paniek sloeg ik mijn ogen neer. Samen keken we toe hoe hij de naald door mijn huid heen prikte, recht die blauwe ader in. Het deed pijn, en ik dacht aan Remco, omdat hij dat zo'n verschrikkelijke aanblik vindt. Toen vond ik die verpleegkundige toch niet zo heel erg knap.

...

En al weer houden de duizelingen mij dagenlang in bed. Hoe lang moet je eigenlijk ziek zijn voordat iemand je een fruitmand komt brengen? Of anders een dvdtje met een film, geschikt voor mensen met een hersenschudding? Of een walsje voor me danst in een berenpak?


...

Toen ik jonger was wilde ik graag eens een kat zijn. Het grootste deel van de dag op een zijden kussentje in de zon liggen soezen en af en toe flink uithalen om aan te geven dat je er heus niet alleen voor de sier bent, leek mij misschien geen superieure manier van bestaan, maar toch wel een hoogstaande.
Maar nu ik het voortschrijdende inzicht der medische wetenschap heb aanvaard en minstens achttien uur per dag slaap, of tenminste dromerig op de bank lig, herroep ik mijn verlangen om eens een kat te zijn. Ik wil liever wél naar alle feestjes gaan en ook graag die deadline halen en meedoen aan dat spannende project in Cannes. Ik wil graag weer eens zonder duizelingen naar bed gaan.
Daar denken niet al mijn huisgenoten hetzelfde over.

Het is opmerkelijk welke aantrekkingskracht ik als -met hoofdpijn in bed liggende vrouw- op mijn geliefde uitoefen. Nog opvallender is het gedrag van onze rode kater. Aanvankelijk leek hij nogal geïrriteerd als ik midden op de dag languit op de bank ging liggen en hem tijdens zijn welverdiende middagdutje zo'n beetje aan de kant schoof. Dat veranderde toen hij het omgedraaide rollenspel zelf ook onder de knie kreeg. Sindsdien gaat hij op zulke momenten met een waakzame blik in zijn ogen op mijn bureaustoel zitten. Hij neemt de aldaar verrichte werkzaamheden van mijn studiogenoten minzaam waar totdat hij zich afwendt om semi-nonchalant zijn vacht wat te herschikken. Misschien is het lief bedoeld, maar het verontrust me. Ik ben zo eenvoudig te vervangen.
En soms letterde Frits Jonker mijn teksten dan.

...

Staart naar de blauwe lucht, liggend op de bank. Te lui om zelfs maar Asterix en de Intrigant uit te lezen. Te lui om bij Remco te informeren of hij de slag om Den Briel al gewonnen heeft. Vandaag begrijp ik wat men bedoelt met “rustig aan doen” 

... 

Uitslag
Een beetje nerveus stonden we in de kou voor de voormalige verpleeginrichting aan de Prinsengracht. Het was tien voor negen, Remco rookte een zenuwachtig sigaretje, een automobilist reed ons bijna omver. Binnen wachte ons een gedistingeerde nicht van een neuroloog met foto's (“Enorme hoevéélheid aan MB's hóór”) van mijn hersenen en grafiekjes van mijn golven.
Sinds ik op die avond van 15 februari na een half uur in een ambualnce eindelijk antwoord kon geven op de vraag: “Wat is je naam?” en later ook op “Weet je wat er gebeurd is?”, lijd ik aan hoofdpijnen en duizelingen. En angst. Dat je blijkbaar zomaar bewusteloos kunt raken, zelfs op zo'n banale plek als de Albert Heijn in de Javastraat.
Maar de neuroloog vond mijn foto's “práchtig” en mijn hersengolven rustig en ruisloos. Hij kon epilepsie niet geheel uitsluiten, dat zal de toekomst leren.
De meest waarschijnlijke verklaring echter, is zo voor de hand liggend dat ik er waarschijnlijk nóóit op gekomen zou zijn. Ik ben gevallen. Hard gevallen. Ik heb iets geraakt met mijn hoofd. Ik heb een hersenschudding.
De genezing is nabij, ik hoef alleen maar rustig aan te doen, op tijd naar bed, geen avondjes flink doorzuipen. De dokter zei bij het afscheid: “Ik heb wel het gevóél dat we jóú móéten àfremmen hóór.”
Omdat ik nu 's avonds niet mag zuipen schenk ik vanmiddag een glaasje, als we terug komen van het gemeentehuis en Remco twee stroken gaat inkten. Wees welkom. Ik heb een hersenschudding, JEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEH

...

De grijze lenteregensluier slaat om in ijzel als ik deur uit ga. Koude prikkels op een tergend heet hoofd. Een onmogelijke man fietst langs. De huisarts heeft een lijst met uitslagen. Mijn bloed verraadt een gebrek aan vitamine D. Er is te weinig zon geweest. Ik word verwezen naar een psycholoog. Met zonnebank. Regen Regen Regen. Niet goed.