maandag 21 januari 2019

Blue Monday

Het blijkt dat ik vaak in wachtkamers van ziekenhuizen schrijf, maar soms doe ik het ook gewoon thuis. 



Er is een bos hoewel ik vaak denk aan de zee, is er een bos, een woud aan de rand van een beschaving, en in die beschaving heb ik een gebouw van eindeloze gangen en hoge zalen en wenteltraptorentjes bevaren.



Het kille buitenwereldlicht bekijkt me door de ruiten.
In de vensterbank staat een kopje thee agressief te stomen.
De boekenkast gaat gebukt onder rijen pockets, vol achterhaalde essays van obscure filosofen.
Ik ben zo keurig verpakt in mijn appartement.
Ik moet haast wel de huiskat zijn.

Illustratie door Maaike Hartjes.



Die blik die je me zojuist gaf
die hoort in een kamer van een academisch ziekenhuis
als je in zo'n onbeschadigbare stoel zit
met alleen een broek aan af te wachten
tot de verpleegkundige die je net heeft afgesponsd
zich omdraait met je bovenkleren
en dat in plaats daarvan ik plots in je kamer sta.

Dan mag je me met zo'n blik aankijken.
Je kunt niet hier, midden in het leven
terwijl je me passeert
in zo'n blauw gestreepte joggingbroek van adidas
een beroep doen op mijn mededogen
Ik moet, geloof ik, in de kamer hiernaast zijn,
bedoel ik maar.

vrijdag 4 januari 2019

De nacht van Zwarte Roos



Illustratie door Janneke As



Ik ben opgegroeid als jongste kind in een gezin dat verder bestond uit een een moeder en een vader, twee ontiegelijk grote broers, een poes, een illegale roodwangschildpad, een stuk of wat parkieten, goudvissen, twee konijnen, drie geiten en een enkelspans mensportmerrie, maar die was eigenlijk van een parelmevrouw die verderop in het bos woonde en haar eigen weiland te nat vond voor haar paradepaardje en bovendien vond Zwarte Roos het bij ons toch veel gezelliger, zelfs toen haar domein werd omheind met schrikdraad.
Ik weet eigenlijk niet wie voor al die beesten zorgde maar ik vemoed één van de ontiegelijk grote broers en dan waarschijnlijk die ene met ADHD want de goudvissen stonden bij de andere uit de klauwen gewassen broer op de kamer en die gingen om de haverklap dood.
Mijn ouders zorgden in elk geval niet voor de dieren want die hadden allebei banen en meditatieweekenden en hockey en bardiensten op de tennisclub en bovendien zorgden ze al voor ons. Ik herinner me tenminste hoe mijn vader elke zaterdag al mijn haren uitborstelde en dat we op vaste tijden te eten kregen.
Voordat het paard, de schildpad en de geiten er waren vonden mijn broers het leuk om mijn poppen open te zagen om te kijken hoe ze er van binnen uitzagen. Die poppen waren vroeger van henzelf geweest, in het kader van de genderneutrale opvoeding. Die opvoeding hield mij een tijd lang in de waan dat ik misschien wel groter en sterker zou worden dan mijn broers als ik maar net zoveel boterhammen met pindakaas at. Mijn broers waren de poppen in ieder geval al heel stoer ontgroeid en ik begreep heel jong wat onthechting was.
De nieuwe dieren kwamen toen de poppen op waren geraakt en mijn broers ontdekten al snel nieuwe gruwelspelletjes met het schrikdraad van de omheining. Nadat ze zichzelf afdoende hadden verwond op gevoelige plekken kregen ze het idee dat mijn gouden krulletjes onder de juiste spanning wel eens heel mooi omhoog zouden kunnen gaan staan. Die dag leerde ik hoe je de stroom van het schrikdraad uit kon zetten zonder dat iemand het merkte. Die nacht droomde ik van wilde galop die steeds dichterbij kwam en zich daarna weer verwijderde. De volgende morgen bleek dat Zwarte Roos die nacht was uitgebroken en in prachtige cirkels om ons huis was gerend en daarbij het keurige gazon voor ruim 20.000 guldens had beschadigd. Vanaf die dag hadden mijn grote broers een ontiegelijk ontzag voor het schrikdraad en ik meende even dat er een soort rechtvaardigheid in het leven was. Later bleek nog dat het paard een aansprakelijkheidverzekering had en toen kreeg ik een eigen kitten.