De lavendel bloeit hier overdadig tegen de Toscaanse heuvel en wekt de
lusten van vlinders en bijen. Het zal wel honger zijn, en misschien wat
geilheid, denken we, het ziet er uit als een onnavolgbare choreografie,
fladderdansen en vleugelwieken en zacht gezoem en wuivende takjes paars.
Zoveel stampij en spektakel en dat in deze hitte. Remco leest een heel
dun boek van Donna Tartt, en als ik klaar ben met me daarover te
verwonderen kijk ik een tijdje naar de hagedissen, die aan de schaduwkant tegen het huis opklimmen en dan verdwijnen. Een neefje fronst en vraagt waarom wij eigenlijk geen kinderen hebben. Geduldig
leg ik uit dat we heus wel kinderen hebben gekregen, maar dat we die
hebben opgegeten. Ik hoop op een gedachtewisseling over kannibalisme met
de tienjarige. Ik blijk het echter af te leggen tegen Enzo Knol op
youtube. Het zal de temperatuur wel zijn. Andere familieleden maken
plannen om naar Florence te rijden maar de warmte verdampt alle
initiatieven. Mijn schoonmoeder, hier meestal aangeduid als ‘Oma’, is
als enige in de weer. Pannenkoeken bakken, stukken meloen verdelen,
misschien zal ze ook nog koffie zetten zo, daar hoop ik een beetje op.
Ik kijk weer naar de lavendel. In mijn hoofd ontstaat vanzelf een
animatiebudget. Een kostenlijst van character design en animatie om zo’n
struik vol fladderbeestjes te verfilmen, en meteen ook een overzichtje
van wie ik daar allemaal voor zou vragen. Het heerlijke nietsdoen, zo’n
vakantie.
donderdag 3 augustus 2017
dinsdag 4 juli 2017
Zolderramen
De zolderramen in Oost staan open, kijk
maar omhoog. De linker is een donker gat, omringd door vermolmde
kozijnen. Misschien verzorgden ze hier tien jaar geleden nog
cannabisplantjes maar daar zijn ze nu te rijk voor geworden, en te
kleinhartig.
De rechter is een klapraam, horizontaal
geopend zodat de weerkaatsende zon het zicht ontneemt op
boxspringbedden en een fitnessapparaat, een backstretcher.
Op de linkerzolder legt een dode duif
een ei, op het moment dat er op de verdieping daar beneden drie
blonde dames tegelijkertijd hun lachgascapsule inhaleren. De
moordenaar, een gecastreerde kater, broedt het ei uit, een
zeventienpotige demonspin wordt geboren. Bij het ondergaan van de zon
kruipt de spin uit het open zolderraam, de gapende mond van de hel,
richting het rechter raam. Hij nestelt zich tussen de spiralen van de
boxspringbedden, hij slaapt, hij groeit. Als hij over enkele weken
wakker wordt, ja, dan zal het wel snel afgelopen zijn met de
gentrificatie van de Indische Buurt.
dinsdag 28 maart 2017
Zesentachtig
Toen ik twintig was woonde ik tijdelijk in een huis met zesentachtig bejaarden. Ik dacht dat de zesentachtig waren overleden en slechts door een miscommunicatie nog in mijn huis woonden. Hun aanwezigheid voelde als een verkeerd ingevuld formulier.
Zelf stond ik ingeschreven bij een studierichting die al was opgeheven en ik bracht mijn dagen door met de club van zesentachtig.
We staarden samen uit het raam, keken naar de voorbijtrekkende levendigheid en voelden aan het dikke glas van de ruiten die ons van de wereld scheidden. De mensen op straat keken zelden op en zagen ons nooit.
Mijn toenmalige vriendje was illegaal bij me ingetrokken, dat kon er ook nog wel bij. Hij studeerde heel hard in een andere stad, voor grafisch ontwerper nota bene, en kwam pas terug van zijn academie als de zon al onder was. Hij bleef de rest van de nacht door mijn leven spoken maar vertrok vaak weer voor ik wakker was.
Op een dag kwam er een man van de gemeente langs voor de zesentachtig. Met een montere pennenstreek schreef hij ze zo het crematorium in. Voor het eerst voelde ik me eenzaam. ![]() | ||
| Oudtante Jet, ze is 86 geworden, maar op de foto is ze | pas 20. |
dinsdag 21 maart 2017
De bierzwemmer
![]() |
| Illustratie Yasmin Sheikh |
Stof zijn wij, stof waar ook de sterren
van zijn, stof waar we ons toe moeten verhouden, maar voor we tot
stof kunnen vergaan worden we eerst zand. Net als onze dieren, huizen
en onze geavanceerde toepassingen. Het zand, de resten van
beschavingen vermengd met uiteengeslagen gesteente van miljarden
jaren terug, dat zand
schuurt en schroeit mijn voeten, op deze zonnige avond waarop ik, met
een plastic tas vol Warsteiner bierblikjes over het strand naar de
Noordzee loop.
Voor mij huilt een kleine jongen van
schrik en van pijn omdat hij zich in zijn kleine voetjes liet prikken
door een schelpenscherf. Ik zet mijn biertas neer en til de jongen
op. Zijn kleuterhuil steekt mij feller dan de Zwaardschede die zich
tussen mijn tenen wringt.
Ik leg hem uit dat de schelpen eens
weekdierhuizen waren, tot ze ruw werden doorboord, leeggezogen en
vernietigd. Het is de schim van de zeeslaknood, die pijn doet aan je
voeten. Wees niet bang, kleine jongen, deze pijn is niet echt, het is
alleen maar een echo van de dood. De kleuter snikt nog wat na en
steekt zijn vingers door mijn krullen. Een man tilt hem uit mijn
armen. Hij lacht, de man bedoel ik, de jongen begint weer te krijsen.
Ik zou het niet goed vinden. Een vreemde op een strand die je kind in
de armen neemt alsof het een tas vol bier is, maar de reprimande die
ik krijg bestaat uit een warme glimlach en een gulzige blik langs
mijn lijf.
Naast me in de zee dobberen nog wat
losse mensen, een vrouw ligt uitgestrekt op de golven, haar
navelpiercing schittert in de avondzon. De anderen staan daar maar
wat naar het strand te staren. Ik herken in geen van hen een
bierzwemmer. In de vloedlijn spelen de laatste kinderen, ze timmeren
op blauwe kwallenlijkjes met hun schepjes en kirren van plezier. Ze
leren een geheime kamer kennen, waar opwinding en walging elkaar
kusjes geven. Af en toe wordt er een eentje opgetild en ingepakt om
langs de strandopgang uit het zicht te verdwijnen. Het strand wordt
leger en weidser en het bier koelt langzaam af.
Ik heb de plastic tas aan mijn been
gebonden, want onderin is de zee het koudst. Ik doe alsof het een
betonblok is en ik moet worden afgerekend binnen het milieu, ik laat
me naar de bodem trekken, kopje onder, maar ik ben te sterk, ik heb
een superkracht, ik ben de bierzwemmer. Mijn wraak zal afschuwelijk
zijn.
Daar op het zand
liggen mijn mensen. Een speelvrouw, een visionair, een
hoogstewoordvoerder en mijn kleine vijand: de anti-fantast, daar
tussen de zandmeermin en de vuurmeesteres.
Ze lijken samen één enkel wezen, een
zeshoofdige, met twaalf door lycra omhulde billen.
Ik zie de hoofden converseren met
elkaar, al hoor ik niets buiten het geklots van de zee in mijn oren.
Ik wil dat ze ophouden met al dat gepraat en op hun buiken gaan
liggen, met hun tepels in het zand en hun billen zichtbaar vanuit
mijn zee.
Ze moeten geduldig afwachten. Straks
zal de eerste slok van hun zeegekoelde bier zout proeven op hun
lippen en in de warmte van hun monden. Ze zullen er om lachen. Ik
lach nu al.
En dan komt het. Ik zie het ontstaan
ver achter de duinen.
Het zwiert over het gloeiende asfalt en
de kwelder naar de duinrand toe. Het hangt even stil boven het statig
tehuis dat op zee uitkijkt, en gaat dan voort. Dit zomernachtspook
hecht zich aan me vast. Ik, de bierzwemmer laat het vieren van mijn
geest los en geef me over aan de zachte deining van de
boosaardigheid. Ik voel hoe het mijn lach verhardt in een kille
grijns.
Ik wil dat ze ophouden met het gesprek
waarvan ik uitgesloten ben. Ze weigeren me dat plezier te doen. Ik
wil dat ze op hun buik gaan liggen, maar ze besluiten naar elkaar te
blijven turen, met oprechte
belangstelling. Heel anders dan de wazige blik die ze af en toe de
zee inwerpen, in afwachting van hun koele bier. Mijn
lievelingsvrienden hebben elkaar en ik ben enkel hun bierzwemmertje.
De
zomernachtgedachte dwingt me uit het water. De
halveliterblikken zijn zwaar maar kun je er iemand wel afdoende mee
verwonden? Als ik van zo'n twee meter afstand met al mijn kracht het
blik in het gezicht van de anti-fantast smijt, breek ik dan tenminste
zijn neus? Stroomt zijn bloed dan langs zijn lichaam op het zand? En
zakt het dan naar het binnenste van de aarde, of zal het verdampen en
ooit terugkomen in kleine stukjes regendruppel?
Ik moet het mes te pakken zien te
krijgen en snel mijn slachting voltooien. Maar ze zijn met zes, samen
één wezen, de zandheks. Is die vader er nog, met die kleuter? Is
dat geen beter idee? Ik kan eerst zijn ogen uitsteken en ze langs
mijn lichaam laten glijden. Vermorzelen tussen de schelpenscherven en
mijn tenen. Ik zal later kunnen zeggen dat hij er om vroeg, met zijn
gulzige blik. Het zal wel niet veel helpen. Ik zal worden opgesloten,
in een dwangbuis naar het tehuis worden gebracht. Ik zal voor de
ramen kunnen zitten en uitkijken over de zee. Misschien zie ik nog
een bierzwemmer. Misschien zit ik daar al, en praat ik daar tegen
het nachtspook.
De visionair komt het water in en daagt
mijn fantasietjes uit. Hij komt moeiteloos door het water waden, nu
zal ik hem eerst moet verdrinken, denk ik, maar als ik zijn lijk
achter me laat en het strand oploop geef ik misschien al teveel weg.
Ik moet mijn plan vermaken en span mijn spieren aan. Hij moet sterker
zijn dan ik, maar ik kan beter zwemmen.
Hij is vlakbij me als hij schielijk
kopje onder gaat. Onverwacht grijpen zijn handen me vast en trekt hij
me naar zich toe. Bierblikken schieten omhoog tussen mijn benen, de
tas is losgeraakt, mijn kille grijns verzacht. We grijpen naar de
blikken, de visionair en ik. Met onze armen vol bier zwemmen we naar
onze mensen op het zand.
Ik ben al halverwege als ik de letters
op de vlag van het statige tehuis kan lezen. De laatste reis, staat
er. Een hospice, waar
artsen en vrijwilligers samenscholen om hun stervende mensen iets
zachter te laten gaan. Het
is geen opvang voor waanzinnige moordenaars en doorgeslagen
bierzwemmers, de dood loopt er rechtop door de gangen en tikt de
bewoners rustig aan. Van stof zijn ze gemaakt, sterrenstof. Zand
zullen ze worden, hun resten vermengt met
uiteengeslagen gesteente, zoals de bodem van mijn zee.
De visionair en ik lopen over het
strand. Over kapotgeslagen kwallen en scherpe schelpenscherven die in
onze voeten prikken. Ik zou wel willen huilen maar ik vrees de
armen van de anti-fantast
of zijn hand die troostend door mijn krullen woelt en dus wring ik
mijn tranen vast tot een glimlachje.
Van dichtbij zijn mijn mensen geen
eenheid meer en praten ze allemaal door elkaar, over facebooktrollen
en hemellichamen en ach, je kent het wel. De speelvrouw haalt een
biertje uit mijn armen en voordat ze het opentrekt duwt ze het koele
blik tussen haar borsten.
Haar eerste slok smaakt zout, en ze
lacht, omdat ze het geheim al kent van de kamer waar opwinding en
walging elkaar kusjes geven.
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Zone5300
dinsdag 14 maart 2017
Ochtendgedicht
Elke morgen weiger ik,
de dag die aanvangt verwerp ik,
de kleren die klaarliggen trek ik niet
aan.
Ik verberg mijn naaktheid
tegen de ijzige blik van de ochtendkou
onder een vies oud vest vol kattenhaar.
Het kan best zijn dat ik
ergens heen moet gaan voor zaken
gekleed
met gekamde haren
en wimpers vol mascara
Maar ach zo gaat het ook
met een ongegeten ontbijt
en twee verschillende sokken aan.
donderdag 23 februari 2017
Luchtkastelen
Toen ik nog ziek was en soms weken
achtereen naar het plafond van de slaapkamer staarde heb ik
luchtkastelen gebouwd van de lichtvlekjes die voor mijn ogen dansten,
als ik duizelig was of gewoon veel met mijn ogen knipperde omdat ik
het ziek zijn als een uitgelezen kans zag om mijn wimperspieren te
dresseren. Er was nauwelijks iets functioneel-middeleeuws aan mijn
luchtkastelen, het waren meer praalpaleizen met hoge torenkamers om
mijn wanen in op te sluiten achter ramen met roodomrande
traliestaven.
Ik heb er wachters voor gezet, grote
mooie mannen met warme stemmen die hun dagen doorbrachten met het
declameren van Dantes verzen. Soms stond er iemand voor de poorten
van mijn hel met een kopje kruidenthee. Dan moest ik één van mijn
wachters aanwijzen, die de wanen even moest laten rusten, om af te
dalen langs de lange trappen in de torens van mijn luchtkasteel, dat
ik gebouwd had van de vlekken voor mijn ogen als ik duizelig was of
gewoon veel met mijn ogen knipperde. De weg was lang en vol gevaar,
want op de wenteltrappen woonden slangenkoppen en er was altijd de
oneindige leegte die aan mijn wachters trok, maar uiteindelijk lukte
het ze steeds vaker om bij die poort te komen en het geschenk van de
bezoeker namens mij in ontvangst te nemen. “De kunst is om niet
achterom te kijken”, fluisterde de theebrenger met zijn warme
mannenstem, maar misschien heb ik dat erbij verzonnen.
![]() |
| Lettering en hand van Frits Jonker |
woensdag 4 januari 2017
Texel 2017
Ik droomde van een kitten die zich gedroeg als een mol en door het rulle
zand heen dartelde. Ik werd wakker van de weirdness, dook de trap af
naar beneden en zag daar de vogels over het terras heen waaien. (Texel 2017)
zaterdag 31 december 2016
Zombie-oliebollen
Ik droomde weer van de zombie-oliebollen.
Deze zombies hun substantie is rottende oliebol. Ze zijn 25 tot 40 centimeter hoog en opgebouwd uit een stuk of 10, 12 oliebollen. Ze zijn gekleed in prachtig blauwe lompen en dragen een hoed als Baron Samedi.
Eén van de hipstercafés hier in de buurt had er drie van in een glazen kastje ingelijst en opgehangen boven de tafels van hun verwarmd terras.
Het was al diep in de nacht en aan de tafels spraken nog wat jonge mensen, met rood uitgelopen ogen, over de verkiezingsdag die aanstaande was. De barman bracht ze een schaal bitterballen en stak zelf een sigaretje op. En ik weet niet zeker of één van de dronken gasten bij het opstaan tegen het kastje sloeg of dat één van de oliebolzombies het glas van binnenuit brak, maar plots viel er zo'n zombietje op de bitterballenschaal. Rottende oliebol vermengde zich met verpletterde bitterbal.
De twee andere zombies kropen uit de gebroken glazen kast. Het kraste en het smakte en het barpubliek zetten het op een rennen. Van al die commotie werd ik wakker en trok de gordijnen open. Vlak onder mijn raam stond een kleine bolle man kreunend het ijs van zijn auto af te krabben.
donderdag 22 december 2016
Ziek
![]() |
| Lettering door Frits Jonker |
Eerst dacht ik: “De boeken die ik
lees zijn dun geworden.”
en “Ik verwachtte hier meer letters.”
Daarna woonden er twee monsters in mij,
en ze hadden dorst.
Er broeit iets duisters in mijn hart.
Remco telt de pillen, ik tel de dagen
In het geheim gok ik dat de dagen
eerder op zijn.
Maar dan legt Remco kleine stukjes
pizza op de poes,
en tel ik de wereld in kleine stukjes
plezier.
maandag 5 december 2016
Het najagen van wind
![]() |
| Illustratie Melissa Halley |
Er was eens een dame, ze woonde in een
groen huis in de buurt van de grijs golvende zee, westwaarts van hier.
Ze droeg ragfijne gewaden en op zonnige dagen droeg ze een
kobaltblauwe tiara in haar kastanjehaar. Ze leefde best gelukkig met
een man, twee honden, drie poezen, vier kinderen en vijf
zangvogeltjes. De kinderen huilden wel eens en groeiden steeds uit
hun kleren, en soms lag één van de zangvogeltjes 's morgens dood op
de bodem van de vogelkooi.
De man speelde vaak voor haar op zijn
gitaar haar lievelingsmuziek en de poezen krulden zich in de winter
behaaglijk op in de hondenmand, terwijl die brave lobbesen buiten
met de kinderen en hun ballen speelden.
Op een avond, midden in de zomer was
het begonnen. De man was met de kinderen en de honden aan het strand
en ze dwaalde wat door het huis, slechts vergezeld door het gezang
van de vogeltjes. Af en toe nipte ze wat van haar prosecco. Het was
warm en ze had haar allerdunste ragfijne gewaad aangetrokken. In haar
haren schitterde de kobaltblauwe tiara. Er stak een briesje op en de
dame opende alle deuren en alle ramen om het briesje te verwelkomen.
Het danste wat met haar, streelde eerst het lange kastanjehaar en
zuchtte luchtig in haar gezicht maar al gauw werd het vurig, tilde
haar gewaad op, blies langs haar billen, kuste haar borsten en
verstrikte haar haren om de tiara. Het droeg haar op zijn vleugels
naar buiten en bracht de regen mee om daarmee langs haar lichaam te
spoelen. Uiteindelijk viel ze in een lage wolkenslaap, buiten op het
terras. Zo vonden de honden, de kinderen en de man haar, die zich
naar huis hadden gespoed toen de storm opstak. De man droeg haar naar
binnen en de kinderen sloten alle ramen en deuren terwijl de honden en de katten het water oplikten dat uit haar kastanjeharen
droop.
Vanaf die dag was de dame haar
gemoedsrust kwijt. Ze opende telkens alle deuren en ramen weer,
verlangend naar de aanrakingen van de wind. Ze verschoof meubels en
kamerschermen om hem meer kans te bieden zich te midden van haar gezin
te nestelen.
Eerst, toen het nog zomer was, vond
niemand dat raar of vervelend maar toen de herfst inviel werd het
steeds kouder in huis. De vijf zangvogeltjes moesten er het eerst aan
geloven. Die lagen op een gure morgen allemaal met hun pootjes omhoog
op het schelpenzand onderin de volière. De drie poezen keken er
spijtig naar.
De man en de kinderen groeven een diepe
kuil achter in de tuin en stopten daar de dode vogeltjes in. De honden
en de poezen beloofden plechtig de lijkjes niet meer op te graven.
Een van de kinderen pinkte een traantje weg. De man vroeg aan de
vrouw of ze samen nieuwe vogeltjes wilde halen, met een wat dikker
verendek misschien, en of ze toch niet steeds de deuren wilde
openzetten, nu het buiten steeds kouder werd. De vrouw knikte afwezig
en schoof het raam open. Een zuchtje wind streelde even haar wang en
met een verrukte glimlach liep ze naar de tuindeuren toe en wierp ze
wijd open. De man strekte zijn arm uit om haar tegen te houden maar
ze was al buiten zijn bereik.
De honden en de katten werden steeds
dikker omdat hun vacht meegroeide met de winterkou maar de kinderen
werden bleker en kropen 's nachts steeds dichter tegen elkaar aan, en
dat terwijl ze nu toch op die leeftijd kwamen waarop dat niet meer
als gezonde genegenheid binnen het gezin kon worden uitgelegd. Toen
de jongste onbedaarlijk begon te hoesten en de dame in haar ragfijne
gewaden glimlachend de vrieswind binnen liet, hield de man het voor
gezien. Hij pakte zijn kinderen goed in, ving de drie poezen met hun
dichtgegroeide mottenvacht in drie kooitjes en zette ze bij de
kinderen op schoot op de achterbank van het autootje. Hij liep nog
even terug naar het huis om zijn vrouw vaarwel te kussen en zijn
gitaar op te halen. “Ga je lekker op het strand wandelen” vroeg
ze, terwijl ze verlangend naar een veelbelovend wolkendek in de hemel
keek. De man had tranen in zijn ogen, maar die zag ze niet.
Één hond was gebleven, hij was oud en
had een stramme poot. Let jij maar op de kinderen had hij tegen de
andere hond gezegd, dan blijf ik wel bij de dame.
De dame keek nog elke dag uit naar de
wind, maar hij kwam nog maar weinig, en als hij kwam hield hij het
bij een vluchtige zucht langs haar lijf. Nooit keek hij haar diep in
de ogen aan en zijn fluisteringen klonken immer hetzelfde. De dame
wist het wel maar het verlangen had zich in haar buik genesteld op de
plaats waar eens haar gemoedsrust had gewoond.
Ze liep, nu niet meer gestoord door het
punctuele gedruis van haar man en kinderen, dag en nacht blootsvoets
door het huis. Haar tiara was eens onder de sofa terecht gekomen toen
de wind haar een woest doch kil bezoekje had gebracht. Ze werd mager
en haar huid werd ruw van de ijzige regen die ze telkens weer op zich
neer liet vallen, op zoek naar de weldadige lage wolkenslaap die haar
zelden gegund werd. De meubels sleten, het groene huis werd vaal en
de oude hond sleepte zich zuchtend naar zijn mand om zich voor te
bereiden op de laatste slaap, die nu wel snel zou komen.
Zijn zuchten trok uiteindelijk de
aandacht van de dame, omdat ze dacht dat het van de wind kwam en de
hond vond toen ze op zoek ging. Ze knielde even stil bij zijn mand en
voelde zijn magere lijf rillen onder haar handen. Ze zocht naar een
deken om hem te bedekken maar vond er geen.
Toen sloot ze maar de ramen en de
deuren en sloeg een krakkemikkige stoel kapot. Ze stopte het hout in
de haard en maakte een vuur. Haar haren vielen voor haar ogen en ze
zag dat ze grijs geworden was. Vreemd, zei ze tegen zichzelf, waar
zijn de poezen heen gegaan? Er ligt hier nu alleen een oude hond. De
wind floot even door een kier in de deur en ze schoot overeind om hem
binnen te laten, maar de hond hief zijn poot op met zijn laatste
krachten. Ze zonk weer bij hem neer. De wind bonkte nu tegen de
ramen, woest omdat ze ongehoorzaam aan hem was. Ze nam de kop van de
hond op haar schoot en zong zacht een wijsje voor hem. Iets dat ze
kende van vroeger, van de gitaar. Die had zoveel meer muziek dan de
taal van haar woeste minnaar die achter de ramen klonk. Na een tijdje
gaf de wind het op, met een laatste wilde brul had hij één van de
kleine ruitjes ingeslagen en probeerde hij onder haar rafelige gewaad
te grijpen, maar de hond lag op haar schoot en gaf de wind geen kans.
Die waaide ijzig om haar heen en floot dat ze niets was en hij
nimmer aan haar denken zou en stormde van haar weg, de lucht van het
vuur met zich mee zuigend zodat de haard onmiddellijk doofde.
Het was nu donker geworden en ze huilde
een poos tot ze zag dat de hond het koud had, toen vermande
ze zich en maakte opnieuw een vuur voor die stervende oude
hond. Ze beloofde hem te begraven in het graf van zijn vogelvriendjes
en aaide hem tot na de laatste ademzucht.
(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Zone5300)
Abonneren op:
Posts (Atom)







