Ter voorbereiding van mijn bezoek aan Praag las ik in mijn dagboek
over mijn vorige bezoek:
30 juli 2002
O god, Praag! Binnen een uur na aankomst na
aankomst was ik zo dronken dat ik me de namen van de mensen die ik
heb ontmoet niet meer kan herinneren. Behalve Janna, een tengere
lesbiënne met ongelofelijk dikke brilglazen en een zware stem,
waarmee ze in het Tsjechisch erotische poëzie voor me declameerde.
Ze is lerares Engels maar om bij te verdienen produceert ze “smelly
underwear”, die door een kennis van haar aan Duitse fetisjisten
wordt verkocht. Ze heeft het liefst doorzichtige strings en kanten
broekjes. Ze vindt zichzelf wel een beetje pervers als ze op verzoek
katoenen meisjesbroekjes met hartjes of olifantjes aantrekt. Vanavond
is er een feest in een park.
31 juli 2002
Van het feest herinner ik me ook niet meer zoveel
eigenlijk, behalve dat verhaal van Janna over een heel ranzig
triootje in het appartement van een afwezige vriend met smetvrees. En
ik heb Praagse wiet gerookt bij mijn bier. Misschien moet ik maar
even een dagje niet drinken.
1 augustus
Vandaag heeft mijn gastvrouw Praag laten zien.
Jennifer is de perfecte tourguide: “This is a building where
something happened.” “Somebody famous lived here.” “There's
one of my favourite bars, we should get a drink.” Mijn “ik ga
niet drinken”-plan liep al gauw uit op een kroegentocht langs de
nieuwe hippe bars van Praag. We zijn blijven hangen in de bar waar
softporno op de muur geprojecteerd werd. Wat een nacht.
De volgende dag begon mijn Praagse xtc-pil te werken tijdens mijn
bezoek aan het geboortehuis van Kafka. Daarna houdt mijn reisdagboek
op.
vrijdag 8 september 2017
vrijdag 25 augustus 2017
Twisted Park
![]() |
| Illustratie Merel Barends |
Er
drijft bier in de modder op de hellingen van Twister Park.
Ik
sta boven op de heuvel met naast mij Lisette, haar haren, nog vol
zomerregen, zijn een sprookje van gewoven twinkeling. Alle mensen
zijn hier mooi, ze eten suikerspinverzinsels, drinken hallucinogene
koffies en lopen door de circusbossen vol violisten en elfjes op
saxofoon. Beneden in de rivier danst een zeemeerminnenballet en
daarna zal er iets reusachtigs optreden in de Babylonische tent. Een
vlinderjongen biedt ons een zelfgedraaid sigaretje aan, “voor bij
de koffie” en fladdert de helling af. Lisette zoekt haar aansteker
en ik zie in de hemel hoe de wegdrijvende regen wordt achternagezeten
door de drieste zomerzon.
Op
het veld onder ons lopen de myriaden met hun bier en poncho's en hun
mystieke tatoeages. Iedereen gaat hier gebukt onder een
onweerstaanbaar soort saamhorigheid, we zijn allemaal mooi en jong in
dit wonderparadijs, we zijn een mierenhoop, een lijf vol pure
vreugde. Lisette inhaleert en blaast daarna een wolkje wietdamp uit,
met nog iets anders er doorheen. Ze geeft mij het kleine jointje door
en zegt dat er in de Ilias geen woord voor lichaam staat. “Alleen
voor ledematen, alsof het ik en allen samen één zijn, een warm
geurige brei van armen, benen, vingers en wangen, van haren, spieren,
anussen. Harten die samen slaan op het tempo dat de trom aangeeft.”
Ik vind het prachtig. Zoveel fijnheid, daar moet je even aan wennen
want eigenlijk is het teveel. Ik blaas mijn rookwolk uit, het smaakt
nu ook een beetje naar zaad in mijn mond, denk ik, en ik lach. “Mijn
sarcasme wordt bedaard gesloopt hier. We moeten het achterlaten,
samen met het bier in de modder laten drijven, hier op de helling van
Twister Park”, zeg ik. “Wacht even”, antwoord Lisette, “ik
ben nog niet helemaal in vrede met het universum” en ze neemt het
wietsigaretje uit mijn hand.
Ik
zie hem als eerste, als hij quasi-nonchalant de helling oploopt. Hij
is de heer en meester van prijswinnende visuals, geprojecteerd op
opspuitende waterschermen. Zijn ijdelheid daarover is legioen. Ik wil
nu zelfs een knuffel van hem, zodra hij klaar is met Lisette kussen.
Alle fijnheid hier stompt me zachtjes in mijn maag. Ik speur de
helling af naar de vlinderjongen. Heel even denk ik zelfs aan jou,
maar alleen omdat de hemel de kleur van je ogen heeft. Daarna luister
ik naar wat de projectieman tegen Lisette zegt.
Hij
praat over de lovende reacties op zijn nieuwe werk en doet zijn best
om zijn voornaamheid te verwoorden. Dit festival, dit feest van
fijnheid en schoonheid is er eigenlijk alleen voor hem. Ik speur de
helling af naar mijn spot maar ik zie alleen het bier, de modder en
de elfjes. In mijn hoofd streelt de fijnheid over mijn gedachtes en
spin ik duizend kleuren high. Ik sla mijn arm om Lisette heen. Hij
beziet het met iets lustigs en oreert maar door. Ik luister naar hem,
vol verbazing dat ik echt naar zo’n windbuil luister, vol verbazing
om het uitblijven van mijn weerzin.
“Waren
jullie hier gisteravond al? Regende het toen ook? Hebben jullie mijn
installatie gezien? Sommige mensen vinden dat het eigenlijk wel wat
heeft, die regen door mijn visuals, het geeft net zo'n randje rauwe
natuurkracht, je weet wel. Toen ik die prijs won in Edinborough
regende het ook. Het is natuurlijk een risico als je werk voor in de
open lucht maakt.” “Is dit dezelfde installatie als waar je al
die prijzen mee gewonnen hebt?”, vraagt Lisette op een vleierige
toon.
In
mijn hoofd hoor ik haar opheldering geven: “Als hij dichtbij me
komt verander ik in een krols katje, kronkelend op de vloer, klaar om
me door hem te laten overrijden als een kleuter op de busbaan. Ik heb
geen enkele consideratie voor de buschauffeur die 's nachts
schreeuwend wakker wordt met kleuterbloedspetters op zijn oogleden.
Ik kan er heus niets aan doen, ik kan hem niet uitstaan, hij is te
dóm, te stom, te vol-van-zichzelf. Ik kan niet luisteren naar wat
hij zegt, mijn intellect kan het niet aan. Hij spreekt tot mijn
baarmoeder, die wil zijn sokken kussen. En daarna voor hem in het
kraambed sterven.” Ze moet vol zelfverachting zitten nu en ik weet
niet hoe ik haar kan helpen. De fijnheid van het festival heeft me
ontwapend.
De
praalhans praat gewoon door: “Nee, deze is gloednieuw, eigenlijk
nog een soort betaversie, ik wil het insturen voor Lightning
in
Dubai. Ik heb gisteren mijn work-in-progress gepresenteerd aan drie
programmeurs, van wie er twee tot tranen toe geroerd waren. Het heet:
The truth all women keep hidden inside.” “Oei”,
zeg ik. Lisette knijpt in mijn vingers maar ik weet niet of het haar
baarmoeder is die samenknijpt van opwinding, of toch haar greintje
zelfrespect dat zich een weg naar buiten baant. Ik knijp terug, ik
knijp haar vingers fijn!
Praalhansje
gaat nog even door met van alle vrouwen 'de ander' te maken. De
ander, daar weet hij alles van. Mijn sarcasme had me kunnen helpen
hier maar ik sta nog steeds weerloos op te gaan in die verdomde roes
van saamhorigheid.
Ik
moet Lisette redden, zijn lust naar bewondering eet stukjes van haar
ziel, het prikt haar met een cakevorkje aan gort. In gedachten hoor
ik je iets van Sartre quoten en ook van De Beauvoir maar ik kan je
niet goed verstaan. Beneden ons begint de Babylonische tent te
brullen. Het begint altijd weer in Babylon. En dan voel ik het
opkomen, een kleine donkere heks rijst op en wekt een klein stukje
van de woede die er heus wel is, die sluimert onder deze warme deken.
“Hoe komt het dat je hier blijft staan en luistert naar zijn
praatjes?” , schreeuw ik in haar oor. Ernstig langzaam trekt ze
haar ogen van hem los en draait ze haar hoofd naar mij. “Zie je hem
ook zitten op een scharlakenrood beest met zeven koppen en tien
horens?”, schreeuwt ze.
Ik
trek haar mee, of zij trekt mij mee, de helling af en we dansen onze
woede los in de mensenzee.“Voel je nog steeds die band, het opgaan
in de massa?”, brult ze over de Babylonische drums. “Het is de
verbondenheid zoals omschreven in de ballades van de loopgraven, de
slag om Moskou, en de belegering van Constantinopel. We delen allen
dezelfde vijand, en we slaan hem kapot in onze roes. Er druipt bloed
lang de hellingen van Twister Park.”
vrijdag 18 augustus 2017
Deurbel
Vreedzaam verlegde ik een grote
hoeveelheid btw tot ik werd onderbroken door het geluid van de
deurbel. De deurbel, die uit een vergramde luiheid almaar dienst
weigerde als er aantrekkelijke tekenaar of een lieve vriendin voor de
deur stond, die deurbel had uitgerekend deze bezoeker uitgekozen om
zijn plicht te doen.
Deze bezoeker was een kalende middelbare man op slippers. Hij wees op zijn voeten en vroeg of ik het eelt kon behandelen. Ik deed de deur iets verder voor hem open en sprak twijfelend: “Nee, maar als u even geduld heeft kunnen we er wel een door Remco geïnkte illustratie van maken.” De man droop af. Nu is het tussen mij en de deurbel.
Deze bezoeker was een kalende middelbare man op slippers. Hij wees op zijn voeten en vroeg of ik het eelt kon behandelen. Ik deed de deur iets verder voor hem open en sprak twijfelend: “Nee, maar als u even geduld heeft kunnen we er wel een door Remco geïnkte illustratie van maken.” De man droop af. Nu is het tussen mij en de deurbel.
donderdag 3 augustus 2017
Lavendel in Toscane
De lavendel bloeit hier overdadig tegen de Toscaanse heuvel en wekt de
lusten van vlinders en bijen. Het zal wel honger zijn, en misschien wat
geilheid, denken we, het ziet er uit als een onnavolgbare choreografie,
fladderdansen en vleugelwieken en zacht gezoem en wuivende takjes paars.
Zoveel stampij en spektakel en dat in deze hitte. Remco leest een heel
dun boek van Donna Tartt, en als ik klaar ben met me daarover te
verwonderen kijk ik een tijdje naar de hagedissen, die aan de schaduwkant tegen het huis opklimmen en dan verdwijnen. Een neefje fronst en vraagt waarom wij eigenlijk geen kinderen hebben. Geduldig
leg ik uit dat we heus wel kinderen hebben gekregen, maar dat we die
hebben opgegeten. Ik hoop op een gedachtewisseling over kannibalisme met
de tienjarige. Ik blijk het echter af te leggen tegen Enzo Knol op
youtube. Het zal de temperatuur wel zijn. Andere familieleden maken
plannen om naar Florence te rijden maar de warmte verdampt alle
initiatieven. Mijn schoonmoeder, hier meestal aangeduid als ‘Oma’, is
als enige in de weer. Pannenkoeken bakken, stukken meloen verdelen,
misschien zal ze ook nog koffie zetten zo, daar hoop ik een beetje op.
Ik kijk weer naar de lavendel. In mijn hoofd ontstaat vanzelf een
animatiebudget. Een kostenlijst van character design en animatie om zo’n
struik vol fladderbeestjes te verfilmen, en meteen ook een overzichtje
van wie ik daar allemaal voor zou vragen. Het heerlijke nietsdoen, zo’n
vakantie.
dinsdag 4 juli 2017
Zolderramen
De zolderramen in Oost staan open, kijk
maar omhoog. De linker is een donker gat, omringd door vermolmde
kozijnen. Misschien verzorgden ze hier tien jaar geleden nog
cannabisplantjes maar daar zijn ze nu te rijk voor geworden, en te
kleinhartig.
De rechter is een klapraam, horizontaal
geopend zodat de weerkaatsende zon het zicht ontneemt op
boxspringbedden en een fitnessapparaat, een backstretcher.
Op de linkerzolder legt een dode duif
een ei, op het moment dat er op de verdieping daar beneden drie
blonde dames tegelijkertijd hun lachgascapsule inhaleren. De
moordenaar, een gecastreerde kater, broedt het ei uit, een
zeventienpotige demonspin wordt geboren. Bij het ondergaan van de zon
kruipt de spin uit het open zolderraam, de gapende mond van de hel,
richting het rechter raam. Hij nestelt zich tussen de spiralen van de
boxspringbedden, hij slaapt, hij groeit. Als hij over enkele weken
wakker wordt, ja, dan zal het wel snel afgelopen zijn met de
gentrificatie van de Indische Buurt.
dinsdag 28 maart 2017
Zesentachtig
Toen ik twintig was woonde ik tijdelijk in een huis met zesentachtig bejaarden. Ik dacht dat de zesentachtig waren overleden en slechts door een miscommunicatie nog in mijn huis woonden. Hun aanwezigheid voelde als een verkeerd ingevuld formulier.
Zelf stond ik ingeschreven bij een studierichting die al was opgeheven en ik bracht mijn dagen door met de club van zesentachtig.
We staarden samen uit het raam, keken naar de voorbijtrekkende levendigheid en voelden aan het dikke glas van de ruiten die ons van de wereld scheidden. De mensen op straat keken zelden op en zagen ons nooit.
Mijn toenmalige vriendje was illegaal bij me ingetrokken, dat kon er ook nog wel bij. Hij studeerde heel hard in een andere stad, voor grafisch ontwerper nota bene, en kwam pas terug van zijn academie als de zon al onder was. Hij bleef de rest van de nacht door mijn leven spoken maar vertrok vaak weer voor ik wakker was.
Op een dag kwam er een man van de gemeente langs voor de zesentachtig. Met een montere pennenstreek schreef hij ze zo het crematorium in. Voor het eerst voelde ik me eenzaam. ![]() | ||
| Oudtante Jet, ze is 86 geworden, maar op de foto is ze | pas 20. |
dinsdag 21 maart 2017
De bierzwemmer
![]() |
| Illustratie Yasmin Sheikh |
Stof zijn wij, stof waar ook de sterren
van zijn, stof waar we ons toe moeten verhouden, maar voor we tot
stof kunnen vergaan worden we eerst zand. Net als onze dieren, huizen
en onze geavanceerde toepassingen. Het zand, de resten van
beschavingen vermengd met uiteengeslagen gesteente van miljarden
jaren terug, dat zand
schuurt en schroeit mijn voeten, op deze zonnige avond waarop ik, met
een plastic tas vol Warsteiner bierblikjes over het strand naar de
Noordzee loop.
Voor mij huilt een kleine jongen van
schrik en van pijn omdat hij zich in zijn kleine voetjes liet prikken
door een schelpenscherf. Ik zet mijn biertas neer en til de jongen
op. Zijn kleuterhuil steekt mij feller dan de Zwaardschede die zich
tussen mijn tenen wringt.
Ik leg hem uit dat de schelpen eens
weekdierhuizen waren, tot ze ruw werden doorboord, leeggezogen en
vernietigd. Het is de schim van de zeeslaknood, die pijn doet aan je
voeten. Wees niet bang, kleine jongen, deze pijn is niet echt, het is
alleen maar een echo van de dood. De kleuter snikt nog wat na en
steekt zijn vingers door mijn krullen. Een man tilt hem uit mijn
armen. Hij lacht, de man bedoel ik, de jongen begint weer te krijsen.
Ik zou het niet goed vinden. Een vreemde op een strand die je kind in
de armen neemt alsof het een tas vol bier is, maar de reprimande die
ik krijg bestaat uit een warme glimlach en een gulzige blik langs
mijn lijf.
Naast me in de zee dobberen nog wat
losse mensen, een vrouw ligt uitgestrekt op de golven, haar
navelpiercing schittert in de avondzon. De anderen staan daar maar
wat naar het strand te staren. Ik herken in geen van hen een
bierzwemmer. In de vloedlijn spelen de laatste kinderen, ze timmeren
op blauwe kwallenlijkjes met hun schepjes en kirren van plezier. Ze
leren een geheime kamer kennen, waar opwinding en walging elkaar
kusjes geven. Af en toe wordt er een eentje opgetild en ingepakt om
langs de strandopgang uit het zicht te verdwijnen. Het strand wordt
leger en weidser en het bier koelt langzaam af.
Ik heb de plastic tas aan mijn been
gebonden, want onderin is de zee het koudst. Ik doe alsof het een
betonblok is en ik moet worden afgerekend binnen het milieu, ik laat
me naar de bodem trekken, kopje onder, maar ik ben te sterk, ik heb
een superkracht, ik ben de bierzwemmer. Mijn wraak zal afschuwelijk
zijn.
Daar op het zand
liggen mijn mensen. Een speelvrouw, een visionair, een
hoogstewoordvoerder en mijn kleine vijand: de anti-fantast, daar
tussen de zandmeermin en de vuurmeesteres.
Ze lijken samen één enkel wezen, een
zeshoofdige, met twaalf door lycra omhulde billen.
Ik zie de hoofden converseren met
elkaar, al hoor ik niets buiten het geklots van de zee in mijn oren.
Ik wil dat ze ophouden met al dat gepraat en op hun buiken gaan
liggen, met hun tepels in het zand en hun billen zichtbaar vanuit
mijn zee.
Ze moeten geduldig afwachten. Straks
zal de eerste slok van hun zeegekoelde bier zout proeven op hun
lippen en in de warmte van hun monden. Ze zullen er om lachen. Ik
lach nu al.
En dan komt het. Ik zie het ontstaan
ver achter de duinen.
Het zwiert over het gloeiende asfalt en
de kwelder naar de duinrand toe. Het hangt even stil boven het statig
tehuis dat op zee uitkijkt, en gaat dan voort. Dit zomernachtspook
hecht zich aan me vast. Ik, de bierzwemmer laat het vieren van mijn
geest los en geef me over aan de zachte deining van de
boosaardigheid. Ik voel hoe het mijn lach verhardt in een kille
grijns.
Ik wil dat ze ophouden met het gesprek
waarvan ik uitgesloten ben. Ze weigeren me dat plezier te doen. Ik
wil dat ze op hun buik gaan liggen, maar ze besluiten naar elkaar te
blijven turen, met oprechte
belangstelling. Heel anders dan de wazige blik die ze af en toe de
zee inwerpen, in afwachting van hun koele bier. Mijn
lievelingsvrienden hebben elkaar en ik ben enkel hun bierzwemmertje.
De
zomernachtgedachte dwingt me uit het water. De
halveliterblikken zijn zwaar maar kun je er iemand wel afdoende mee
verwonden? Als ik van zo'n twee meter afstand met al mijn kracht het
blik in het gezicht van de anti-fantast smijt, breek ik dan tenminste
zijn neus? Stroomt zijn bloed dan langs zijn lichaam op het zand? En
zakt het dan naar het binnenste van de aarde, of zal het verdampen en
ooit terugkomen in kleine stukjes regendruppel?
Ik moet het mes te pakken zien te
krijgen en snel mijn slachting voltooien. Maar ze zijn met zes, samen
één wezen, de zandheks. Is die vader er nog, met die kleuter? Is
dat geen beter idee? Ik kan eerst zijn ogen uitsteken en ze langs
mijn lichaam laten glijden. Vermorzelen tussen de schelpenscherven en
mijn tenen. Ik zal later kunnen zeggen dat hij er om vroeg, met zijn
gulzige blik. Het zal wel niet veel helpen. Ik zal worden opgesloten,
in een dwangbuis naar het tehuis worden gebracht. Ik zal voor de
ramen kunnen zitten en uitkijken over de zee. Misschien zie ik nog
een bierzwemmer. Misschien zit ik daar al, en praat ik daar tegen
het nachtspook.
De visionair komt het water in en daagt
mijn fantasietjes uit. Hij komt moeiteloos door het water waden, nu
zal ik hem eerst moet verdrinken, denk ik, maar als ik zijn lijk
achter me laat en het strand oploop geef ik misschien al teveel weg.
Ik moet mijn plan vermaken en span mijn spieren aan. Hij moet sterker
zijn dan ik, maar ik kan beter zwemmen.
Hij is vlakbij me als hij schielijk
kopje onder gaat. Onverwacht grijpen zijn handen me vast en trekt hij
me naar zich toe. Bierblikken schieten omhoog tussen mijn benen, de
tas is losgeraakt, mijn kille grijns verzacht. We grijpen naar de
blikken, de visionair en ik. Met onze armen vol bier zwemmen we naar
onze mensen op het zand.
Ik ben al halverwege als ik de letters
op de vlag van het statige tehuis kan lezen. De laatste reis, staat
er. Een hospice, waar
artsen en vrijwilligers samenscholen om hun stervende mensen iets
zachter te laten gaan. Het
is geen opvang voor waanzinnige moordenaars en doorgeslagen
bierzwemmers, de dood loopt er rechtop door de gangen en tikt de
bewoners rustig aan. Van stof zijn ze gemaakt, sterrenstof. Zand
zullen ze worden, hun resten vermengt met
uiteengeslagen gesteente, zoals de bodem van mijn zee.
De visionair en ik lopen over het
strand. Over kapotgeslagen kwallen en scherpe schelpenscherven die in
onze voeten prikken. Ik zou wel willen huilen maar ik vrees de
armen van de anti-fantast
of zijn hand die troostend door mijn krullen woelt en dus wring ik
mijn tranen vast tot een glimlachje.
Van dichtbij zijn mijn mensen geen
eenheid meer en praten ze allemaal door elkaar, over facebooktrollen
en hemellichamen en ach, je kent het wel. De speelvrouw haalt een
biertje uit mijn armen en voordat ze het opentrekt duwt ze het koele
blik tussen haar borsten.
Haar eerste slok smaakt zout, en ze
lacht, omdat ze het geheim al kent van de kamer waar opwinding en
walging elkaar kusjes geven.
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Zone5300
dinsdag 14 maart 2017
Ochtendgedicht
Elke morgen weiger ik,
de dag die aanvangt verwerp ik,
de kleren die klaarliggen trek ik niet
aan.
Ik verberg mijn naaktheid
tegen de ijzige blik van de ochtendkou
onder een vies oud vest vol kattenhaar.
Het kan best zijn dat ik
ergens heen moet gaan voor zaken
gekleed
met gekamde haren
en wimpers vol mascara
Maar ach zo gaat het ook
met een ongegeten ontbijt
en twee verschillende sokken aan.
donderdag 23 februari 2017
Luchtkastelen
Toen ik nog ziek was en soms weken
achtereen naar het plafond van de slaapkamer staarde heb ik
luchtkastelen gebouwd van de lichtvlekjes die voor mijn ogen dansten,
als ik duizelig was of gewoon veel met mijn ogen knipperde omdat ik
het ziek zijn als een uitgelezen kans zag om mijn wimperspieren te
dresseren. Er was nauwelijks iets functioneel-middeleeuws aan mijn
luchtkastelen, het waren meer praalpaleizen met hoge torenkamers om
mijn wanen in op te sluiten achter ramen met roodomrande
traliestaven.
Ik heb er wachters voor gezet, grote
mooie mannen met warme stemmen die hun dagen doorbrachten met het
declameren van Dantes verzen. Soms stond er iemand voor de poorten
van mijn hel met een kopje kruidenthee. Dan moest ik één van mijn
wachters aanwijzen, die de wanen even moest laten rusten, om af te
dalen langs de lange trappen in de torens van mijn luchtkasteel, dat
ik gebouwd had van de vlekken voor mijn ogen als ik duizelig was of
gewoon veel met mijn ogen knipperde. De weg was lang en vol gevaar,
want op de wenteltrappen woonden slangenkoppen en er was altijd de
oneindige leegte die aan mijn wachters trok, maar uiteindelijk lukte
het ze steeds vaker om bij die poort te komen en het geschenk van de
bezoeker namens mij in ontvangst te nemen. “De kunst is om niet
achterom te kijken”, fluisterde de theebrenger met zijn warme
mannenstem, maar misschien heb ik dat erbij verzonnen.
![]() |
| Lettering en hand van Frits Jonker |
woensdag 4 januari 2017
Texel 2017
Ik droomde van een kitten die zich gedroeg als een mol en door het rulle
zand heen dartelde. Ik werd wakker van de weirdness, dook de trap af
naar beneden en zag daar de vogels over het terras heen waaien. (Texel 2017)
Abonneren op:
Posts (Atom)





