Daniëlle is nog heel erg jong maar
spreekt wel Spaans, Vlaams, Roemeens, Duits, Engels en Italiaans en
studeert iets vaags met cultuur en taal. Ze zal een tiental
filmmakers naar de Stasi-gevangenis brengen, want het is, euhm,
“nogal ingewikkeld” om zelf te vinden. Daniëlle woont pas twee
maanden in Berlijn en heeft niet meer dan een nogal conceptueel idee
over waar die gevangenis zich precies bevindt. Het is koud in Berlijn
en een deken van mist trekt zich steeds dichter om ons heen. Straten
lopen dood of ze lopen uit op een troosteloze parkeerplaats. Als
filmmakers onderling spreken we onze waardering uit voor deze Odyssee
naar wellicht een van de naarste plekken uit de historie van de DDR.
Als ik op hoge hakken mijn evenwicht probeer te bewaren op een
kiezelstenenpad oogst ik bewondering van de Duitse regisseusse
Corrine en daar kan ik me dan even aan warmen. Uiteindelijk zullen we
de gevangenis vinden, en dan begint het avontuur pas echt.
Voor het hek wacht een norse man in de
vrieskou. Op dit moment wil ik nog erg graag naar binnen, de
gevangenis in, waar het wellicht een paar graden warmer is. De mooie
Iraanse Mona vraagt me of het nog wel goed met me gaat, en dat is een
slecht teken, want deze dame heeft me tien minuten eerder bij onze
kennismaking op het hart gedruk dat “aardig” niet een woord is
dat mensen gebruiken als ze haar persoonlijkheid omschrijven.
De
norse man dient gevolgd te worden. Hij mompelt iets onheilspellends
over hoe de dichttrekkende mist de sfeer verhoogt en goed is voor
onze moraal. Vlak voor een verlichte deur waardoor we naar binnen
zouden kunnen gaan houdt hij stil en begint in Oostduitsengels tegen
ons te preken.
Of nee, hij stelt zichzelf alleen maar aan ons
voor. Ik staar naar zijn handen die er vreemd, rood en gezwollen uit
zien. Hij vertelt ons dat er nog nooit iemand uit deze gevangenis is
ontsnapt. Hij gebruikt de tegenwoordige tijd. Hij gaat naar binnen en
houdt de deur voor me open terwijl hij me diep in mijn ogen aankijkt.
Dit is mijn kans om aan de kou te ontkomen, maar durf ik hier wel
naar binnen te gaan?
Natuurlijk durfde ik wel naar binnen te
gaan! Zeker nadat Mona en Wilfred me achter mijn rug om hadden
uitgelachen en Remco de trap naar de “U-boot” al enthousiast was
afgedaald. Eenmaal in kelders aangekomen sloot de gids ons op in een
klein kaal hok om ons voorstellingsvermogen te prikkelen. Denk ik. We
mochten vooral niet tegen de muren leunen, want daar was iets mee.
Het bleek allemaal heel normaal om 12 a 20 mensen in deze cel van
zo'n 10m2 op te sluiten. De gids wreef in zijn verwrongen handen en
merkte op dat we deze tour in luxe begonnen. Hij knikte me
bemoedigend toe. Anderhalf uur later was ik goed op de hoogte van de
meest effectieve ondervragings- en marteltechnieken. Slaapdeprivatie,
desoriëntatie, desocialisatie, voortdurende blootstelling aan vocht
opdat je huid wegrot, dagenlange ondervragingen, enfin, je hebt er
vast wel eens over gehoord.
De gids werdt steeds zachtmoediger
naarmate wij bleker en stiller werden en toen zelfs Mona geen akelig
woord meer kon uitbrengen begon hij aan zijn persoonlijke verhaal van
zijn mislukte poging om over de Berlijnse Muur te klimmen. Als
19-jarige werdt hij opgepakt, “verhoord” en veroordeeld tot twee
jaar cel. Maar al snel verkocht (?!) de DDR hem voor omgerekend
69.000 euro aan West-Duitsland. Onze vrijheid was de zijne, en daarop
trok hij de gevangenispoort voor ons open.