dinsdag 4 juli 2017

Zolderramen

De zolderramen in Oost staan open, kijk maar omhoog. De linker is een donker gat, omringd door vermolmde kozijnen. Misschien verzorgden ze hier tien jaar geleden nog cannabisplantjes maar daar zijn ze nu te rijk voor geworden, en te kleinhartig.
De rechter is een klapraam, horizontaal geopend zodat de weerkaatsende zon het zicht ontneemt op boxspringbedden en een fitnessapparaat, een backstretcher.
Op de linkerzolder legt een dode duif een ei, op het moment dat er op de verdieping daar beneden drie blonde dames tegelijkertijd hun lachgascapsule inhaleren. De moordenaar, een gecastreerde kater, broedt het ei uit, een zeventienpotige demonspin wordt geboren. Bij het ondergaan van de zon kruipt de spin uit het open zolderraam, de gapende mond van de hel, richting het rechter raam. Hij nestelt zich tussen de spiralen van de boxspringbedden, hij slaapt, hij groeit. Als hij over enkele weken wakker wordt, ja, dan zal het wel snel afgelopen zijn met de gentrificatie van de Indische Buurt.

dinsdag 28 maart 2017

Zesentachtig

Toen ik twintig was woonde ik tijdelijk in een huis met zesentachtig bejaarden. Ik dacht dat de zesentachtig waren overleden en slechts door een miscommunicatie nog in mijn huis woonden. Hun aanwezigheid voelde als een verkeerd ingevuld formulier.
Zelf stond ik ingeschreven bij  een studierichting die al was opgeheven en ik bracht mijn dagen door met de club van zesentachtig.
We staarden samen uit het raam, keken naar de voorbijtrekkende levendigheid en voelden aan het dikke glas van de ruiten die ons van de wereld scheidden. De mensen op straat keken zelden op en zagen ons nooit.  
Mijn toenmalige vriendje was illegaal bij me ingetrokken, dat kon er ook nog wel bij. Hij studeerde heel hard in een andere stad, voor grafisch ontwerper nota bene, en kwam pas terug van zijn academie als de zon al onder was. Hij bleef de rest van de nacht door mijn leven spoken maar vertrok vaak weer voor ik wakker was.
Op een dag kwam er een man van de gemeente langs voor de zesentachtig. Met een montere pennenstreek schreef hij ze zo het crematorium in. Voor het eerst voelde ik me eenzaam. 

Oudtante Jet, ze is 86 geworden, maar op de foto is ze pas 20.

dinsdag 21 maart 2017

De bierzwemmer


Illustratie Yasmin Sheikh


Stof zijn wij, stof waar ook de sterren van zijn, stof waar we ons toe moeten verhouden, maar voor we tot stof kunnen vergaan worden we eerst zand. Net als onze dieren, huizen en onze geavanceerde toepassingen. Het zand, de resten van beschavingen vermengd met uiteengeslagen gesteente van miljarden jaren terug, dat zand schuurt en schroeit mijn voeten, op deze zonnige avond waarop ik, met een plastic tas vol Warsteiner bierblikjes over het strand naar de Noordzee loop.
Voor mij huilt een kleine jongen van schrik en van pijn omdat hij zich in zijn kleine voetjes liet prikken door een schelpenscherf. Ik zet mijn biertas neer en til de jongen op. Zijn kleuterhuil steekt mij feller dan de Zwaardschede die zich tussen mijn tenen wringt.
Ik leg hem uit dat de schelpen eens weekdierhuizen waren, tot ze ruw werden doorboord, leeggezogen en vernietigd. Het is de schim van de zeeslaknood, die pijn doet aan je voeten. Wees niet bang, kleine jongen, deze pijn is niet echt, het is alleen maar een echo van de dood. De kleuter snikt nog wat na en steekt zijn vingers door mijn krullen. Een man tilt hem uit mijn armen. Hij lacht, de man bedoel ik, de jongen begint weer te krijsen. Ik zou het niet goed vinden. Een vreemde op een strand die je kind in de armen neemt alsof het een tas vol bier is, maar de reprimande die ik krijg bestaat uit een warme glimlach en een gulzige blik langs mijn lijf.
Naast me in de zee dobberen nog wat losse mensen, een vrouw ligt uitgestrekt op de golven, haar navelpiercing schittert in de avondzon. De anderen staan daar maar wat naar het strand te staren. Ik herken in geen van hen een bierzwemmer. In de vloedlijn spelen de laatste kinderen, ze timmeren op blauwe kwallenlijkjes met hun schepjes en kirren van plezier. Ze leren een geheime kamer kennen, waar opwinding en walging elkaar kusjes geven. Af en toe wordt er een eentje opgetild en ingepakt om langs de strandopgang uit het zicht te verdwijnen. Het strand wordt leger en weidser en het bier koelt langzaam af.
Ik heb de plastic tas aan mijn been gebonden, want onderin is de zee het koudst. Ik doe alsof het een betonblok is en ik moet worden afgerekend binnen het milieu, ik laat me naar de bodem trekken, kopje onder, maar ik ben te sterk, ik heb een superkracht, ik ben de bierzwemmer. Mijn wraak zal afschuwelijk zijn.
Daar op het zand liggen mijn mensen. Een speelvrouw, een visionair, een hoogstewoordvoerder en mijn kleine vijand: de anti-fantast, daar tussen de zandmeermin en de vuurmeesteres.
Ze lijken samen één enkel wezen, een zeshoofdige, met twaalf door lycra omhulde billen.
Ik zie de hoofden converseren met elkaar, al hoor ik niets buiten het geklots van de zee in mijn oren. Ik wil dat ze ophouden met al dat gepraat en op hun buiken gaan liggen, met hun tepels in het zand en hun billen zichtbaar vanuit mijn zee.
Ze moeten geduldig afwachten. Straks zal de eerste slok van hun zeegekoelde bier zout proeven op hun lippen en in de warmte van hun monden. Ze zullen er om lachen. Ik lach nu al.
En dan komt het. Ik zie het ontstaan ver achter de duinen.
Het zwiert over het gloeiende asfalt en de kwelder naar de duinrand toe. Het hangt even stil boven het statig tehuis dat op zee uitkijkt, en gaat dan voort. Dit zomernachtspook hecht zich aan me vast. Ik, de bierzwemmer laat het vieren van mijn geest los en geef me over aan de zachte deining van de boosaardigheid. Ik voel hoe het mijn lach verhardt in een kille grijns.
Ik wil dat ze ophouden met het gesprek waarvan ik uitgesloten ben. Ze weigeren me dat plezier te doen. Ik wil dat ze op hun buik gaan liggen, maar ze besluiten naar elkaar te blijven turen, met oprechte belangstelling. Heel anders dan de wazige blik die ze af en toe de zee inwerpen, in afwachting van hun koele bier. Mijn lievelingsvrienden hebben elkaar en ik ben enkel hun bierzwemmertje.
De zomernachtgedachte dwingt me uit het water. De halveliterblikken zijn zwaar maar kun je er iemand wel afdoende mee verwonden? Als ik van zo'n twee meter afstand met al mijn kracht het blik in het gezicht van de anti-fantast smijt, breek ik dan tenminste zijn neus? Stroomt zijn bloed dan langs zijn lichaam op het zand? En zakt het dan naar het binnenste van de aarde, of zal het verdampen en ooit terugkomen in kleine stukjes regendruppel?
Ik moet het mes te pakken zien te krijgen en snel mijn slachting voltooien. Maar ze zijn met zes, samen één wezen, de zandheks. Is die vader er nog, met die kleuter? Is dat geen beter idee? Ik kan eerst zijn ogen uitsteken en ze langs mijn lichaam laten glijden. Vermorzelen tussen de schelpenscherven en mijn tenen. Ik zal later kunnen zeggen dat hij er om vroeg, met zijn gulzige blik. Het zal wel niet veel helpen. Ik zal worden opgesloten, in een dwangbuis naar het tehuis worden gebracht. Ik zal voor de ramen kunnen zitten en uitkijken over de zee. Misschien zie ik nog een bierzwemmer. Misschien zit ik daar al, en praat ik daar tegen het nachtspook.
De visionair komt het water in en daagt mijn fantasietjes uit. Hij komt moeiteloos door het water waden, nu zal ik hem eerst moet verdrinken, denk ik, maar als ik zijn lijk achter me laat en het strand oploop geef ik misschien al teveel weg. Ik moet mijn plan vermaken en span mijn spieren aan. Hij moet sterker zijn dan ik, maar ik kan beter zwemmen.
Hij is vlakbij me als hij schielijk kopje onder gaat. Onverwacht grijpen zijn handen me vast en trekt hij me naar zich toe. Bierblikken schieten omhoog tussen mijn benen, de tas is losgeraakt, mijn kille grijns verzacht. We grijpen naar de blikken, de visionair en ik. Met onze armen vol bier zwemmen we naar onze mensen op het zand.
Ik ben al halverwege als ik de letters op de vlag van het statige tehuis kan lezen. De laatste reis, staat er. Een hospice, waar artsen en vrijwilligers samenscholen om hun stervende mensen iets zachter te laten gaan. Het is geen opvang voor waanzinnige moordenaars en doorgeslagen bierzwemmers, de dood loopt er rechtop door de gangen en tikt de bewoners rustig aan. Van stof zijn ze gemaakt, sterrenstof. Zand zullen ze worden, hun resten vermengt met uiteengeslagen gesteente, zoals de bodem van mijn zee.
De visionair en ik lopen over het strand. Over kapotgeslagen kwallen en scherpe schelpenscherven die in onze voeten prikken. Ik zou wel willen huilen maar ik vrees de armen van de anti-fantast of zijn hand die troostend door mijn krullen woelt en dus wring ik mijn tranen vast tot een glimlachje.
Van dichtbij zijn mijn mensen geen eenheid meer en praten ze allemaal door elkaar, over facebooktrollen en hemellichamen en ach, je kent het wel. De speelvrouw haalt een biertje uit mijn armen en voordat ze het opentrekt duwt ze het koele blik tussen haar borsten.
Haar eerste slok smaakt zout, en ze lacht, omdat ze het geheim al kent van de kamer waar opwinding en walging elkaar kusjes geven.

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Zone5300



dinsdag 14 maart 2017

Ochtendgedicht

Elke morgen weiger ik,
de dag die aanvangt verwerp ik,
de kleren die klaarliggen trek ik niet aan.
Ik verberg mijn naaktheid
tegen de ijzige blik van de ochtendkou
onder een vies oud vest vol kattenhaar.

Het kan best zijn dat ik
ergens heen moet gaan voor zaken
gekleed
met gekamde haren
en wimpers vol mascara

Maar ach zo gaat het ook
met een ongegeten ontbijt
en twee verschillende sokken aan.

donderdag 23 februari 2017

Luchtkastelen

Toen ik nog ziek was en soms weken achtereen naar het plafond van de slaapkamer staarde heb ik luchtkastelen gebouwd van de lichtvlekjes die voor mijn ogen dansten, als ik duizelig was of gewoon veel met mijn ogen knipperde omdat ik het ziek zijn als een uitgelezen kans zag om mijn wimperspieren te dresseren. Er was nauwelijks iets functioneel-middeleeuws aan mijn luchtkastelen, het waren meer praalpaleizen met hoge torenkamers om mijn wanen in op te sluiten achter ramen met roodomrande traliestaven.
Ik heb er wachters voor gezet, grote mooie mannen met warme stemmen die hun dagen doorbrachten met het declameren van Dantes verzen. Soms stond er iemand voor de poorten van mijn hel met een kopje kruidenthee. Dan moest ik één van mijn wachters aanwijzen, die de wanen even moest laten rusten, om af te dalen langs de lange trappen in de torens van mijn luchtkasteel, dat ik gebouwd had van de vlekken voor mijn ogen als ik duizelig was of gewoon veel met mijn ogen knipperde. De weg was lang en vol gevaar, want op de wenteltrappen woonden slangenkoppen en er was altijd de oneindige leegte die aan mijn wachters trok, maar uiteindelijk lukte het ze steeds vaker om bij die poort te komen en het geschenk van de bezoeker namens mij in ontvangst te nemen. “De kunst is om niet achterom te kijken”, fluisterde de theebrenger met zijn warme mannenstem, maar misschien heb ik dat erbij verzonnen.


Lettering en hand van Frits Jonker

woensdag 4 januari 2017

Texel 2017

Ik droomde van een kitten die zich gedroeg als een mol en door het rulle zand heen dartelde. Ik werd wakker van de weirdness, dook de trap af naar beneden en zag daar de vogels over het terras heen waaien. (Texel 2017)


zaterdag 31 december 2016

Zombie-oliebollen



Ik droomde weer van de zombie-oliebollen.
Deze zombies hun substantie is rottende oliebol. Ze zijn 25 tot 40 centimeter hoog en opgebouwd uit een stuk of 10, 12 oliebollen. Ze zijn gekleed in prachtig blauwe lompen en dragen een hoed als Baron Samedi.
Eén van de hipstercafés hier in de buurt had er drie van in een glazen kastje ingelijst en opgehangen boven de tafels van hun verwarmd terras.
Het was al diep in de nacht en aan de tafels spraken nog wat jonge mensen, met rood uitgelopen ogen, over de verkiezingsdag die aanstaande was. De barman bracht ze een schaal bitterballen en stak zelf een sigaretje op. En ik weet niet zeker of één van de dronken gasten bij het opstaan tegen het kastje sloeg of dat één van de oliebolzombies het glas van binnenuit brak, maar plots viel er zo'n zombietje op de bitterballenschaal. Rottende oliebol vermengde zich met verpletterde bitterbal.
De twee andere zombies kropen uit de gebroken glazen kast. Het kraste en het smakte en het barpubliek zetten het op een rennen. Van al die commotie werd ik wakker en trok de gordijnen open. Vlak onder mijn raam stond een kleine bolle man kreunend het ijs van zijn auto af te krabben.



Lettering en hand van Frits Jonker

donderdag 22 december 2016

Ziek

Lettering door Frits Jonker


Eerst dacht ik: “De boeken die ik lees zijn dun geworden.”
en “Ik verwachtte hier meer letters.”
Daarna woonden er twee monsters in mij, en ze hadden dorst.
Er broeit iets duisters in mijn hart.
Remco telt de pillen, ik tel de dagen
In het geheim gok ik dat de dagen eerder op zijn.
Maar dan legt Remco kleine stukjes pizza op de poes,
en tel ik de wereld in kleine stukjes plezier.

maandag 5 december 2016

Het najagen van wind

Illustratie Melissa Halley



Er was eens een dame, ze woonde in een groen huis in de buurt van de grijs golvende zee, westwaarts van hier. Ze droeg ragfijne gewaden en op zonnige dagen droeg ze een kobaltblauwe tiara in haar kastanjehaar. Ze leefde best gelukkig met een man, twee honden, drie poezen, vier kinderen en vijf zangvogeltjes. De kinderen huilden wel eens en groeiden steeds uit hun kleren, en soms lag één van de zangvogeltjes 's morgens dood op de bodem van de vogelkooi.
De man speelde vaak voor haar op zijn gitaar haar lievelingsmuziek en de poezen krulden zich in de winter behaaglijk op in de hondenmand, terwijl die brave lobbesen buiten met de kinderen en hun ballen speelden.
Op een avond, midden in de zomer was het begonnen. De man was met de kinderen en de honden aan het strand en ze dwaalde wat door het huis, slechts vergezeld door het gezang van de vogeltjes. Af en toe nipte ze wat van haar prosecco. Het was warm en ze had haar allerdunste ragfijne gewaad aangetrokken. In haar haren schitterde de kobaltblauwe tiara. Er stak een briesje op en de dame opende alle deuren en alle ramen om het briesje te verwelkomen. Het danste wat met haar, streelde eerst het lange kastanjehaar en zuchtte luchtig in haar gezicht maar al gauw werd het vurig, tilde haar gewaad op, blies langs haar billen, kuste haar borsten en verstrikte haar haren om de tiara. Het droeg haar op zijn vleugels naar buiten en bracht de regen mee om daarmee langs haar lichaam te spoelen. Uiteindelijk viel ze in een lage wolkenslaap, buiten op het terras. Zo vonden de honden, de kinderen en de man haar, die zich naar huis hadden gespoed toen de storm opstak. De man droeg haar naar binnen en de kinderen sloten alle ramen en deuren terwijl de honden en de katten het water oplikten dat uit haar kastanjeharen droop.
Vanaf die dag was de dame haar gemoedsrust kwijt. Ze opende telkens alle deuren en ramen weer, verlangend naar de aanrakingen van de wind. Ze verschoof meubels en kamerschermen om hem meer kans te bieden zich te midden van haar gezin te nestelen.
Eerst, toen het nog zomer was, vond niemand dat raar of vervelend maar toen de herfst inviel werd het steeds kouder in huis. De vijf zangvogeltjes moesten er het eerst aan geloven. Die lagen op een gure morgen allemaal met hun pootjes omhoog op het schelpenzand onderin de volière. De drie poezen keken er spijtig naar.
De man en de kinderen groeven een diepe kuil achter in de tuin en stopten daar de dode vogeltjes in. De honden en de poezen beloofden plechtig de lijkjes niet meer op te graven. Een van de kinderen pinkte een traantje weg. De man vroeg aan de vrouw of ze samen nieuwe vogeltjes wilde halen, met een wat dikker verendek misschien, en of ze toch niet steeds de deuren wilde openzetten, nu het buiten steeds kouder werd. De vrouw knikte afwezig en schoof het raam open. Een zuchtje wind streelde even haar wang en met een verrukte glimlach liep ze naar de tuindeuren toe en wierp ze wijd open. De man strekte zijn arm uit om haar tegen te houden maar ze was al buiten zijn bereik.
De honden en de katten werden steeds dikker omdat hun vacht meegroeide met de winterkou maar de kinderen werden bleker en kropen 's nachts steeds dichter tegen elkaar aan, en dat terwijl ze nu toch op die leeftijd kwamen waarop dat niet meer als gezonde genegenheid binnen het gezin kon worden uitgelegd. Toen de jongste onbedaarlijk begon te hoesten en de dame in haar ragfijne gewaden glimlachend de vrieswind binnen liet, hield de man het voor gezien. Hij pakte zijn kinderen goed in, ving de drie poezen met hun dichtgegroeide mottenvacht in drie kooitjes en zette ze bij de kinderen op schoot op de achterbank van het autootje. Hij liep nog even terug naar het huis om zijn vrouw vaarwel te kussen en zijn gitaar op te halen. “Ga je lekker op het strand wandelen” vroeg ze, terwijl ze verlangend naar een veelbelovend wolkendek in de hemel keek. De man had tranen in zijn ogen, maar die zag ze niet.
Één hond was gebleven, hij was oud en had een stramme poot. Let jij maar op de kinderen had hij tegen de andere hond gezegd, dan blijf ik wel bij de dame.
De dame keek nog elke dag uit naar de wind, maar hij kwam nog maar weinig, en als hij kwam hield hij het bij een vluchtige zucht langs haar lijf. Nooit keek hij haar diep in de ogen aan en zijn fluisteringen klonken immer hetzelfde. De dame wist het wel maar het verlangen had zich in haar buik genesteld op de plaats waar eens haar gemoedsrust had gewoond.
Ze liep, nu niet meer gestoord door het punctuele gedruis van haar man en kinderen, dag en nacht blootsvoets door het huis. Haar tiara was eens onder de sofa terecht gekomen toen de wind haar een woest doch kil bezoekje had gebracht. Ze werd mager en haar huid werd ruw van de ijzige regen die ze telkens weer op zich neer liet vallen, op zoek naar de weldadige lage wolkenslaap die haar zelden gegund werd. De meubels sleten, het groene huis werd vaal en de oude hond sleepte zich zuchtend naar zijn mand om zich voor te bereiden op de laatste slaap, die nu wel snel zou komen.
Zijn zuchten trok uiteindelijk de aandacht van de dame, omdat ze dacht dat het van de wind kwam en de hond vond toen ze op zoek ging. Ze knielde even stil bij zijn mand en voelde zijn magere lijf rillen onder haar handen. Ze zocht naar een deken om hem te bedekken maar vond er geen.
Toen sloot ze maar de ramen en de deuren en sloeg een krakkemikkige stoel kapot. Ze stopte het hout in de haard en maakte een vuur. Haar haren vielen voor haar ogen en ze zag dat ze grijs geworden was. Vreemd, zei ze tegen zichzelf, waar zijn de poezen heen gegaan? Er ligt hier nu alleen een oude hond. De wind floot even door een kier in de deur en ze schoot overeind om hem binnen te laten, maar de hond hief zijn poot op met zijn laatste krachten. Ze zonk weer bij hem neer. De wind bonkte nu tegen de ramen, woest omdat ze ongehoorzaam aan hem was. Ze nam de kop van de hond op haar schoot en zong zacht een wijsje voor hem. Iets dat ze kende van vroeger, van de gitaar. Die had zoveel meer muziek dan de taal van haar woeste minnaar die achter de ramen klonk. Na een tijdje gaf de wind het op, met een laatste wilde brul had hij één van de kleine ruitjes ingeslagen en probeerde hij onder haar rafelige gewaad te grijpen, maar de hond lag op haar schoot en gaf de wind geen kans. Die waaide ijzig om haar heen en floot dat ze niets was en hij nimmer aan haar denken zou en stormde van haar weg, de lucht van het vuur met zich mee zuigend zodat de haard onmiddellijk doofde.
Het was nu donker geworden en ze huilde een poos tot ze zag dat de hond het koud had, toen vermande ze zich en maakte opnieuw een vuur voor die stervende oude hond. Ze beloofde hem te begraven in het graf van zijn vogelvriendjes en aaide hem tot na de laatste ademzucht.


(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Zone5300)

zaterdag 3 september 2016

Death Cat Road

We rijden van Heraklion naar Rethymno in een glanzende Citroën C3. De weg wordt aangeduid als *the new road* maar ik heb hem hernoemd als *dead cat road*. De lijkjes langs de kant zijn talrijk. Verbrijzelde schedeltjes en verspreide stukjes vacht. Ondertussen leest Remco voor uit een Marco Polo reisgids: “Uitgaanstips: O Gunás: Originele taverna in het oude centrum, waar de gastheer en zijn zonen vanaf 21:00 uur dikwijls de zelden te horen lyra bespelen.” En “X-treme: Rockbar van twee Oostenrijkers, waar Griekse studenten als dj’s opereren, in een 500 jaar oud huis.” Hij lacht tranen in zijn ogen van de willekeur van de epitheta en de overvloed aan burgerlijkheid. Ik doe mijn best om niet uitbundig mee te lachen want ik rij hard over de weg vol haarspeldbochten en de ravijnen zijn hier diep. Ik stel me het Citroëntje voor, ingedeukt op de rotsen, besmeurd met bloed uit onze verbrijzelde lijkjes. Ik zou het best goed doen als dooie kat denk ik, maar van Remco weet ik het niet zeker. “Pas je een beetje op?” vraagt hij. “Ja” zeg ik. “De nieuwe weg langs de noordkust van Kreta, u treft hier vooral inheemse suïcidale poezen aan. Op de diverse parkeergelegenheden spreekt men Duits.